Begrijpend lezen draait om meer dan strategieën, vragen en oefenteksten. Het begint allemaal bij één essentiële factor: leesplezier. Een kind dat graag leest, leest vaker en langer. En een kind dat veel leest, wordt vanzelf beter in begrijpend lezen.
Toch merken veel ouders dat hun kind in groep 5 of 6 ineens “niet meer van lezen houdt” of alleen nog stripjes of korte teksten wil lezen. Dat is heel normaal. De teksten worden op school moeilijker en het lezen kost meer denkwerk. Juist daarom is het belangrijk om thuis ruimte te maken voor ontspannen, leuk en betekenisvol lezen.
In dit artikel lees je concrete manieren waarop ouders het leesplezier thuis kunnen vergroten, en daarmee indirect het begrijpend lezen versterken.
Kinderen lezen meer én begrijpen beter wanneer ze interesse hebben in de inhoud.
Ga samen naar de bibliotheek en laat je kind vrij kiezen.
Sta strips, informatieve boeken, quizboeken en moppenboeken gewoon toe.
Leg niet te veel nadruk op “AVI-niveaus”; plezier gaat voor.
Een kind dat dol is op dino’s, leest moeiteloos een dik weetjesboek vol moeilijke woorden. Dat levert vaak méér begripswinst op dan een verplichte AVI-tekst.
Een positieve sfeer maakt lezen lichter en leuker.
Maak een vast “gezellig leesmoment” in huis, bijvoorbeeld na het eten.
Creëer een fijne leesplek: een kussen, een lampje, een rustig hoekje.
Lees zelf ook tijdens dat moment (kinderen kopiëren gedrag).
Je zit samen op de bank: jouw boek, zijn of haar boek. Na tien minuten vraag je luchtig: “Wat lees jij eigenlijk?” – zonder het te overhoren.
Voorlezen is niet alleen voor kleuters. Kinderen in groep 5 en 6 genieten enorm van voorlezen – en leren er veel van.
Lees het begin van een boek voor zodat je kind daarna zelf verder wil.
Lees boeken die boven het eigen leesniveau liggen om de woordenschat te vergroten.
Vraag tussendoor eens: “Hoe denk jij dat dit afloopt?”
Je leest samen een avonturenboek. Bij een spannend moment stop je bewust. Het kind wil daarna zelf verder lezen om te weten hoe het afloopt.
Praten over een boek hoeft niet te voelen als “les”. Houd het licht.
Stel nieuwsgierige, open vragen.
Laat je kind vertellen wat het leuk of stom vond.
Vermijd toetsvragen (“Wat was de hoofdgedachte?”).
Goed: “Welke persoon vind jij het leukste tot nu toe?”
Minder goed: “Wat is de belangrijkste gebeurtenis in hoofdstuk 3?”
De eerste vraag opent een gesprek, de tweede voelt als school.
Lezen is overal. Als kinderen merken dat lezen nuttig is, passen ze het beter en met meer motivatie toe.
Laat je kind een recept lezen terwijl jullie koken.
Bekijk samen informatiebordjes in een museum of dierentuin.
Laat je kind de instructie lezen bij een spel of knutselactiviteit.
Lees samen een folder, gebouwbord of handleiding.
“Kun jij even lezen wat er op deze verpakking staat? Hoe lang moet dit in de oven?”
Het kind bepaalt nu de actie: dat motiveert.
Begrijpend lezen betekent omgaan met verschillende tekstsoorten. Door thuis variatie te bieden, groeit het begrip ongemerkt mee.
Verhalen, weetjesboeken, krantjes, stripboeken, tijdschriften, posters.
Korte online informatie (geschikt voor kinderen).
Sportartikelen, dierenkaarten, minigidsen.
Een kind dat fan is van voetbal leest graag spelersprofielen, uitslagen en interviews. Dat zijn waardevolle teksten voor begrijpend lezen.
Beloningen werken, maar aandacht en waardering werken beter en versterken de intrinsieke motivatie.
Geef complimenten voor inzet, niet voor resultaat.
Vraag oprechte nieuwsgierige vragen.
Vier het samen als een boek uit is.
In plaats van: “Goed, je hebt tien minuten gelezen.”
Kun je zeggen: “Wat jammer dat het hoofdstuk al voorbij is! Waar ging het vandaag over?”
Leesplezier is de motor achter begrijpend lezen. Wanneer kinderen plezier hebben in lezen, lezen ze vaker en met meer aandacht en daardoor groeien hun leesbegrip, woordenschat en zelfvertrouwen vanzelf mee. Zo bereid je je kind goed voor op de toetsen van IEP, Dia, Boom en Leerling in Beeld.
Als ouder kun je daar een enorme rol in spelen door ruimte te bieden voor plezier, ontspanning en eigen keuze. Lezen hoeft niet altijd schoolse vragen of opdrachten op te roepen; het gaat vooral om nieuwsgierigheid, verhalen, gesprekken en positieve ervaringen.